Wenscht baboe over te doen

1903-kw_7mei

Koloniaal Weekblad, 7 mei 1903

In het Koloniaal Weekblad verschenen af en toe dit soort advertenties.  In de kranten minder, waar het advertenties betrof waarin een familie een baboe wilde overdoen. Doorgeven, als het ware.

Voor de zeebaboe was het natuurlijk ideaal als ze aansluitende dienstreizen kon maken. Dan bleef ze verdienen. Als zeebaboe in Nederland had ze veel minder mogelijkheden om een dienstreis te vinden dan in de kolonie. Zeker in de jaren 1930 zijn de verschillen groot. In Indië zijn niet alleen bediendenkantoren, maar ook verschillende bemiddelingsbureautjes, plus de arbeidsbeurs van de overheid. Inderdaad, die loketten moest je maar net zien te vinden.

In Nederland bleef het behelpen, zeker in de tijd dat deze advertentie verscheen.  Het tehuis Persinggahan met de arbeidsbemiddeling bestond nog niet, het was hopen en gebruik maken van de contacten die er waren. Dus: de familie van de heenreis.

De vrouw die hier als baboe wordt aangeduid, was waarschijnlijk eerst in dienst als baboe in het huishouden, daarna reisde ze als zeebaboe mee naar Nederland en toen- wilde ze niet blijven, kon het niet, en als alles in deze situatie liep zoals gedacht, was er geen moment eerder tijd geweest om goede afspraken te maken?

De tien snelste djongossen van Bandoeng

entju

Entju

Als ik ergens graag bij had willen zijn, dan was het wel bij de djongossen-race in Bandoeng. Ruim vijftig deelnemers, een regenachtig parcours en straten vol publiek. In het Algemeen Indisch Dagblad van 7 november 1951 staat een groot verslag met foto’s.

Dat verslag kwam ik tegen toen ik zocht naar zeebaboes. Ik dacht, misschien begrijp ik de zeebaboes beter als ik over djongossen ga lezen. En zo kwam ik terecht in 1951, bij de djongossen-race. Van wie het idee was, schrijft de krant niet. Wel ongeveer wat het parcours was: vanaf het gebouw van Financiën, over de Postweg richting Pasar Baroe, dan naar Soeniaradja en dan richting Braga. Elke djongos droeg een dienblad met daarom twee glazen pils. Dat moest natuurlijk zonder te morsen over de finisch komen. En dat met die natte straten. Eigenlijk werd het zo extra spannend, want zie maar eens te winnen in die omstandigheden.

Degenen die Bandoeng beter kennen dan ik, kunnen dit beoordelen. Was het ver, was het moeilijk, waar lagen de grote obstakels?

Al binnen een kwartier was de winnaar bekend: Entju I van Hotel Savoy Homann. Hij had slechts dertien minuten nodig. De laatste djongossen lieten het er bij zitten, schrijft de krant, het dienblad viel, de glazen gingen aan gruzelementen, misschien hadden ze geen zin meer. Entju kreeg een krans om en werd op de schouders getild: iedereen houdt van winnaars. Dit waren de tien snelste djongossen van Bandoeng:

1 Entju (Homann)
2 Amas (Het Snoephuis)
3 Amat (Homann)
4 Djunara (Frieske Flagge Hotel)
5 Andi (Maison Bogerijen)
6 Satja (Homann)
7 Anda (Maison Bogerijen)
8 Soma (Lok Pin Hotel)
9 Misdjan (Preanger Hotel)
10 Pandi (Homann)

De middenstand van Bandoeng stelde allerlei prijzen beschikbaar. Olympia Schoenhandel gaf een paar zwarte schoenen, Kapsalon Pino schonk twee flessen parfum, Toko de Zon doneerde stof en zo ging het verder. De prijzen werden die avond uitgereikt in Societeit Condordia. Wat een feest moet dat geweest zijn! Ik hoop dat Enju als de grote winnaar ook loonsverhoging heeft gekregen.

Over deze djongossen heb ik lang nagedacht. Het krantenbericht bracht me ook terug naar 2008, toen ik in Hotel Homann logeerde. Ik herinner me nog de gerant – het hoofd van alle djongossen, al was het woord toen in onbruik – van het hotel. Hij zag en hoorde alles van de gasten, en als je even zoekend rondkeek, stond hij er al. Het was een bijzondere aandacht die hij gaf, iets met zorg en controle tegelijkertijd, een vorm van macht, hij heerste over de gasten met hun opeens kinderlijk aandoende behoeften. Geen man om te gaan hardlopen met een dienblad.

De race van de djongossen was in 1951. Veel was veranderd, veel ook niet. Het Snoephuis schijnt er nog te zijn, in de Jalan Braga. Ze verkopen er Hollandse koekjes. ’s Avonds zijn ze meestal uitverkocht. Sporen van toen in de tijd van nu. Niet alles gaat voorbij.

(Dit artikel is een bewerking van het gelijknamige stuk dat ik schreef voor Koempoelan)

Zeebaboes aan boord

000_aanboordIn de prachtige collectie van Beeld en Geluid zag ik een merkwaardig filmpje. “Goenoeng Mas” heet het, datering 1928. Wilt u het zien, klik dan hier.

Ik zocht in de collectie naar zeebaboes. Tevergeefs, en gek genoeg stemde me dat tevreden. Zo onzichtbaar zijn ze kennelijk in het grote geschiedenisverhaal, dat ze niet opgemerkt konden worden. Het is een kwestie van kijken. En zoeken. En blijven zoeken. Dit filmpje had een verrassing voor me.

Iets na de vierde minuut begint het. Een groep Indonesische mannen komt aan boord en begroet een Europese man. Een aantal van deze mannen is djongossen, vermoed ik. Ze genoten destijds aanzien in hun vak, ze werkten in de bediening aan boord.  Een is vermoedelijk de mandoer (toezichthouder) hij straalt meer gezag uit:

000_aanboord1_b

We zien een verschil tussen de mannen onderling. Zouden zij ook passagiers zijn geweest? De toelichting ontbreekt. Wel staat er dat het de reis naar Holland betreft. In 1928 kunnen zij ook student zijn geweest. Het blijft gissen.

Met en na deze mannen komen Indonesische vrouwen, iemand met een kind op haar armen:

000_aanboord3

En ik dacht: daar zijn de zeebaboes. Het kind ziet er Europeser uit dan zijzelf, mogelijk droeg ze er de zorg voor.  Hoe zij heette en waar zij vandaan kwam, is onbekend. Dat is het lot van deze vrouwen: ze waren er, ze werkten, maar echt gezien als persoon werden ze niet.  In de multiculturele samenleving aan boord moeten ze wijzer zijn geweest dan menige Europese passagier. Maar wellicht viel dat de passagiers destijds niet zo op.

Bedienden van diplomaten

volkskrant_koeweit De geschiedenis herhaalt zich. De Volkskrant publiceerde in juli een treurig artikel: “Bedienden van diplomaten melden uitbuiting op ambassades in Nederland.” ik las het en dacht aan de zeebaboes en de djongossen.

In het kort gaat het artikel hierover. De klachten van de bedienden gaan over te weinig salaris, slechte werkomstandigheden en iets dat de krant “ongewenste omgangsvormen” noemt. Dat kan van alles zijn. Daarbij komt de moeilijke situatie van de bediende: vaak in een onbekend land, zonder toegang tot de taal en zonder netwerk, en dan ook nog op een ambassade werkend, waar veel kan worden toegedekt met de mantel van diplomatieke onschendbaarheid. Het artikel is hier te lezen.

De pijn zit ook in dat isolement. Indertijd maakten heel wat zeebaboes datzelfde mee.  De bedoeling was natuurlijk om na aankomst in Nederland een nieuwe betrekking aan boord te vinden, waardoor ze weer terug konden reizen. Een dienstreis heen, een dienstreis terug, zo viel er wat te verdienen. Maar niet iedereen vond hier een nieuwe dienstreis. Er waren er ook, die een betrekking aan de wal accepteerden, al dan niet noodgedwongen. En dan kon het misgaan. Te lange werkdagen, te zwaar belast, te laag salaris. Ja, waar moet je dan heen.

Toen was er het tehuis Persinggahan in Den Haag.

De bedienden van nu vinden hopelijk hun weg naar de organisatie FairWork. Hier wordt opvang en informatie geboden.  Het Ministerie van Buitenlandse Zaken probeert contact met de bedienden te leggen en te houden; zo moeten ze zelf hun verblijfsvergunning komen ophalen. Dan is het isolement even weg. Maar ja, die diplomatieke onschendbaarheid. En ’t is een grote stap, om uit je vertrouwde omgeving te stappen.  Een tweede Persinggahan zou misschien nog zo gek niet zijn, passend in de tegenwoordige tijd.

Van Boetzelaerlaan 2

stoomtram_hijsm_statenlaanHet tehuis Persinggahan werd in 1919 geopend aan de Van Boetzelaerlaan 2, te ’s Gravenhage.  Een geschikt pand te vinden was nog zo gemakkelijk niet. Het moet voor de Vereniging Oost en West een opluchting zijn geweest, dat ze dit vonden.

De Van Boetzelaerlaan is lang, en loop je van begin naar het einde, dan ben je zo een uurtje kwijt. Ik stapte een keer uit de verkeerde tramhalte, daardoor weet ik dat. Het ene historische pand na het andere passeerde ik,  en daardoor kreeg ik wel een indruk van de buurt zoals die toen moet zijn geweest. Alleen toegankelijk voor mensen met budget. Grote dure huizen, die ook verblijfgelegenheid bezaten voor bedienden.

Het moet een buurt geweest zijn waarin een ieder vanzelfsprekend zijn plaats kende, zeker in de standenmaatschappij van destijds.  De inwoners van Persinggahan moeten dat tenminste herkend hebben: de hiërarchie waarin zij bepaald niet bovenaan stonden.  Het zal ook een voordeel hebben gehad, en die van enige bewegingsvrijheid.  Wanneer ze zich aan de tehuisreglementen hielden, vormden ze immers geen bedreiging.

In de oude Haagse kranten staan voor het openingsjaar van het tehuis verschillende vacatures voor huishoudelijk personeel, te bevragen in verschillende huizen aan de Van Boetzelaerlaan.  Een voorbeeld is deze advertentie:

hag

Haagsche Courant, 27 december 1919

Afkomst mag dan gewoon benoemd worden: Hollands of Belgisch – er waren na de Eerste Wereldoorlog nog altijd veel vluchtelingen in het land – maar niet “Inlands”, zoals het toen heette.  Een zeebaboe die al een betrekking aan de wal zou wensen, kon zich hier dus niet vervoegen.  Zij mocht hopen dat de arbeidsbemiddeling van het tehuis iets opleverde.

Jongens beschikbaar

1919_08_28-kw

Koloniaal Weekblad, 28 augustus 1919

Zeebaboe was een beroep,  iets anders dan een baboe. Jongen was evenzeer een beroep, hoe merkwaardig het tegenwoordig ook klinkt. Hij was de mannelijke bediende.

 

Het woord heeft me altijd wat verbaasd, moet ik zeggen, vooral toen ik ontdekte dat het hier ging om volwassen mannen, al dan niet mensen met een eigen gezin. In het woord jongen resoneert iets van het verfoeide boy dat in Amerikaanse black history als uiterst racistisch geldt.

Deze advertentie stond regelmatig in het Koloniaal Weekblad. Het suggereerde dat er altijd genoeg bedienden beschikbaar waren. Dat hing er maar net van  af.

Om te beginnen wilden de meeste zeebaboes alleen een dienst terug naar Indië, terwijl er vanuit de gezinnen in Nederland in Persinggahan vaak en dringend gevraagd werd om een baboe in huis, aan de wal dus.  De directie moest vaak “nee” verkopen aan degenen die om een bediende kwamen.

Dan was het zo, dat er steeds veel meer zeebaboes in het tehuis logeerden dan djongossen (mannelijke bedienden). In het eerste halfjaar waren er 32 zeebaboes en slechts 4 djongossen. Misschien bezaten vrouwen destijds een kwetsbaarder positie, of reisden er relatief minder mannen tussen kolonie en moederland.  Soms werkten zij als een persoonlijke bediende, soms ook in het restaurant of de huishouding van schepen.

Wie dus dacht even een djongos te recruteren, kwam vaker wel dan niet weer alleen thuis.  Ik zou graag willen weten, wat dit voor invloed had op de salariseisen van de djongos. Veel vraag, weinig aanbod, de markt dicteert dat de kosten dan als een raket de lucht in gaan.

Werken in huis

1903-KW_30april

Koloniaal Weekblad, 30 april 1903

In het tehuis Persinggahan aan de Van Boetzelaarlaan 2 te ’s -Gravenhage kwamen zeer regelmatig verzoeken binnen: zeebaboe gevraagd, voor de huishouding aan de wal. Er was altijd meer vraag dan beschikbare zeebaboes. Het merendeel van de vrouwen wilde terug. Blijven? Nee, dank u. Dat valt te begrijpen.

Het was niet alleen het koude klimaat dat tegenviel.
“Kliemerig” – zo noemt de schrijfster Melati van Java dat ergens: een samentrekking van koud en miezerig. Je denkt meteen aan grauwe dagen met wind en motregens.

Dat de meeste zeebaboes terug wilden, kwam ook niet alleen doordat ze thuis een eigen leven hadden. Dat hadden de meesten vermoedelijk wel, kinderen die vroegen wanneer moeder er weer was. Een zeebaboe die voor een dienstreis tekende, wist ongeveer hoe lang ze onderweg zou zijn, daarna kon ze alleen hopen snel een familie te vinden waarmee ze terug kon reizen. De bootreis was het overzichtelijke deel van het avontuur. Het vinden van de terug-reis betrekking het onzekere.

Er waren zeebaboes, die een betrekking aan wal accepteerden. Ze kwamen in de huishouding, al dan niet voor de verzorging van kinderen.
Maar een huishouden in Nederland was nogal anders dan een huishouden in Indië. Werken in huis betekende in Nederland: vrijwel het gehele huishouden doen, dus de was – en wasmachines komen pas na 1908 en zijn dan duur en schaars – het strijken, het schoonmaken en dan de kinderen. En baboe moest ook een boodschap kunnen doen.
Veel te veel werk voor een enkele persoon. Hollandse meisjes en vrouwen wilden dan ook in steeds geringere mate werken als dienstbode. Duitse dienstbodes kwamen vooral in de jaren 1920 en 1930. En ook voor deze laatste vrouwen gold: de meesten gingen weer terug naar het land van herkomst.

Eigenlijk wilde niemand het huishouden doen. De mevrouwen niet, de dienstbodes niet, de zeebaboe niet. En de meneren? Die al helemaal niet. Dan blijft degene over die niet wil, maar wel moet.

Verder deed baboe alles

Nieuws van den dag, 15 januari 1910

In de mooie verhalenbundel Onder de Indische zon (1910) van Fenna de Meyier trof ik een merkwaardig verhaal aan. Het heet eenvoudig: ‘Baboe’.  De inhoud ervan toont een grote wereld, die van een naamloze Indonesische vrouw, als zeebaboe naar Nederland gereisd.

De eerste alinea is al aangrijpend:

“In ’t halfduister van den grimmigen wintermorgen strompelde Baboe uit het zolderkamertje de trappen af, moeilijk gaande met haar pijnlijke wintervoeten in de onbehouwen, veel te groote pantoffels, die mevrouw haar had gekocht, zonder vooraf de maat te nemen. Mevrouw had geen meid; alleen kwam overdag een eigenwijs, spichtig vlechtjeskind om de kopjes te wasschen, boodschappen te doen en tafel te dekkken. Verder deed Baboe alles. Mevrouw was blij dat zij haar uit Indië had meegebracht, nu zij hoorde van haar vriendinnen hoe moeilijk het was om in den Haag meiden te krijgen en nog moeilijker ze te houden.”

Mijn hart is dan al drie keer omgedraaid van kassian. Wintervoeten doen zo’n pijn, vroeger had ik ze ook. Je kunt door de opengebarsten huid niet eens goed lopen en zeker niet in te grote pantoffels. En dan die ene zin: “Verder deed Baboe alles.” Het betekent dat ze het hele huishouden deed, inclusief de verzorging van de kinderen.  In Indië waren er meer bedienden geweest, dit had de baboe niet kunnen voorzien. De werkdagen zijn lang en het loon?

“Mevrouw gaf Baboe weinig loon. In ’t begin, ja, toen was het nodig geweest; de baboe was anders niet meegegaan;  maar later, wat kon Baboe noodig hebben? Gaf mevrouw haar geen behoorlijk eten en drinken, kleedde zij haar niet geheel?”

Op die laatste vraag weten we het antwoord. En inderdaad, de baboe is voor de belofte van een goed salaris met het gezin naar Nederland gereisd. De baboe heeft zes kinderen en ze had  een man die gokverslaafd was, schulden maakte en toen stierf.  Dus het aanbod van een goed betaalde betrekking was welkom.

De baboe heeft heimwee, ze verdraagt de winters niet en ze wordt ziek. Ze is dan al een jaar in Nederland, veel langer dan de bedoeling is. Een vriendelijke arts lapt haar op, maar of het helpt?

“Zij ging naar mevrouw toe en zeide beslist dat zij héén wou gaan, vóordat zij ging sterven.”

De mevrouw gaat dreigen met de politie.

“Sidderend van angst en met haat in haar hart was Baboe weer aan de waschtobbe gaan staan, de opengereten winterhanden in ’t heete sop.
Een wanhoopskreet wrong los uit haar keel, die zij dadelijk versmoorde.”

Verschrikkelijk. Dit is wat tegenwoordig arbeidsuitbuiting heet: geen of nauwelijks loon, isolement en intimidatie.  Precies dit soort situaties kwamen ook voor in Den Haag en elders. Fenna de Meyier kende Indië en Den Haag uit eigen ervaringen.  Ze moet begrepen hebben wat ze soms zag in het Haagse. Haar literaire verbeeldingskracht deed de rest. In de jaarverslagen van de Vereeniging Oost en West staat soms het woord zielsziekte als het over zeebaboes gaat.

Hoe het afloopt? Baboe zoekt de arts, in de hoop dat deze haar wil helpen. Hij blijkt op reis te zijn. Dan,  nog banger dan ervoor, weet ze niet meer waar ze heen moet.  Terug naar de mevrouw durft ze niet. Ze loopt door de stad en staat opeens voor het water:

“En nu kwam de gedachte in haar arm, gemarteld  hoofd: “Dood zijn, geen pijn meer hebben.” Die gedachte zoog zich vast aan haar hersens. Haar voeten gingen… onbewust…
Een doffe plons.
En Baboe leed niet meer.”

Tokojuffrouw

tokojuffrouw

Preanger-bode, 25 mei 1921

Niet alle beroepen stonden voor iedereen open. Het was een zeldzaamheid dat een Indische of Hollandse vrouw als zeebaboe ging werken. Wel kon zij solliciteren op een betrekking als tokojuffrouw.

In de oude Indische kranten staan talloze advertenties met vraag en aanbod, vooral vraag. In 1921 wordt er in de Preanger-bode om een “flinke” tokojuffrouw gevraagd. Jammer genoeg staat er niet bij voor welke toko.  De betekenis van flink staat hier voorop, waarschijnlijk betekende het: de werkdagen zijn lang, je moet voortdurend beschikbaar zijn, je mag nooit eens moe zijn en met pauze willen. Ze mocht hopen dat er in deze toko een luchtverversing was, anders had ze ook nog de tropische warmte de hele dag.

In Nederlandse winkels hadden de juffrouwen het zwaar. Dankzij de inzet van dr Aletta Jacobs werden winkeliers verplicht het personeel zitgelegenheid te bieden. Maar hoe controleer je dat? En voor de ene winkeljuffrouw die moeilijk deed, stond een andere klaar om haar betrekking over te nemen.

Nog een advertentie, waar iets meer informatie in staat. Deze komt uit het Bataviaasch nieuwsblad, 2 juli 1934.

Batav

Dat is interessant. Er bestonden dus gradaties in het tokojuffrouw-schap. Je had leerlingen, die vast minder verdienden. Maison van Reeken was Europees en dus moest de tokojuffrouw zo Hollands mogelijk zijn. Dat was de betekenis van “net”- niet alleen fatsoenlijk, maar ook Hollands. De koloniale maatschappij bezat een eigen terminologie.

Maison van Reeken was relatief nieuw in Batavia. In het Nieuws van den Dag vond ik een lovende recensie, waardoor ik er meteen heen wilde:

maison

Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, 7 juli 1934

Het is “een fraaie aanwinst”  staat er, en dat moet veel klanten hebben getrokken. Ze hadden onder meer slagroomgebakjes en likeurbonbons. Ik vond alleen advertenties uit 1934. Hopelijk bestond Maison van Reeken langer, zodat de tokojuffrouw een betrekking hield. Zo gemakkelijk was het leven niet voor werkende vrouwen in de jaren 1930.

Rudolph Zuyderhoff

ZuderhoffDeze foto publiceerde het tijdschrift van de Vereeniging Oost en West in de jaren 1930. De voorzitter vierde zijn zestigste verjaardag en werd alom geprezen voor zijn inzet en werkkracht.  Daarbij genoot hij aanzien als president van de Algemene Rekenkamer. ZIjn sympathie voor het rechts-nationalisme leek toen onschuldig. Ik zoek hem met een andere reden. Of beter: zijn nazaten.

In 1948 moest op last van de regering het tehuis Persinggahan sluiten. Er zou geen behoefte meer aan zijn en de tijden waren zo anders. De Vereeniging Oost en West wilde het tehuis houden. Zelfs de penningmeester, G. Hennus, protesteerde. Maar wat moest, dat moest.

Dat heeft misschien meer sporen nagelaten dan de regering dacht. En dat zit zo.

Het archief van de vereniging ligt in de universiteitsbibliotheek te Leiden. Daar ontbreekt nogal wat aan. Zoals: alles van het tehuis. Waar zou dat zijn?

Grote  kans dat het zo gegaan is. De sluiting van het tehuis bleek in 1948 inderdaad onvermijdelijk te zijn. In de directeurskamer stond het laatste deel van de administratie,  De rest was neergezet bij R. Zuyderhoff, die al langere tijd ziek was, in 1945 overleed hij. Dus samen met de oorlogsomstandigheden was er bepaald geen periode geweest waarin er dozen verhuisd moesten worden.

Die dozen zijn misschien meegenomen door een nazaat. En daar staan ze nu op zolder.  Te wachten op iemand die ze dolgraag wil openen. (kuch)

Nog een intrigerende foto. Deze komt uit 1935, toen de Vereeniging in Amsterdam een “Indisch Home” opende. Het maandblad van de Vereeniging noemt in het onderschrift alleen de twee mannen op de voorgrond: W.C. Bonebakker, de voorzitter van Amsterdam en naast hem de algemeen voorzitter H.H.R. Zuyderhoff.

zuyderhoff1935